Angst en stress bij de hond

 

 

Angst
Wanneer een dier bang is, zal het er alles aan doen om de situatie die de angst oproept te veranderen of te vermijden. Er is bij angst dan ook enkel sprake van ontsnappingsconditionering: hoe kom ik zo snel mogelijk uit deze situatie? of van vermijdingsconditionering: hoe kan ik voorkomen dat dit me gebeurt?
De hond zal in een angstige situatie niet open staan voor leerervaringen, anders dan dat hij wil leren hoe hij de situatie kan veranderen, beëindigen of voorkomen (vluchten of vermijden). 
stress
Wanneer er in een leersituatie sprake is van enige stress, is de hond geneigd te zoeken naar oplossingen om de stress te verminderen. Zolang de stress niet omslaat in angst of paniek, kan een lichte mate van stress gebruikt worden om het gedrag van de hond te 'vormen'. We noemen dit 'shaping'. Hierbij kun je denken aan een leersituatie, waarbij de hond eerst steeds beloond werd als hij op een meter van de baas kwam. Geleidelijk aan voert de baas de stress op, door pas te gaan belonen als de hond op 75 centimeter van de baas is, daarna pas op een halve meter en uiteindelijk wordt de hond pas beloond als hij zo ongeveer in het kruis van zijn baas zit… 
frustratie en frustratietolerantie
De mate waarin een hond nog leerbaar is, als er sprake is van stress, hangt mede af van de frustratietolerantie van de hond. Dit wil zeggen de hoeveelheid frustratie waarmee de hond weet om te gaan. Frustratie treedt op wanneer iets niet gebeurt, dat wel verwacht wordt, of het gebeurt op een andere dan de verwachte manier. Een voorbeeld is het niet krijgen van een verwachte beloning. De hond zal nu proberen alsnog de beloning te bemachtigen en gaat allerlei gedragingen vertonen in de hoop dat er gedrag bij zit dat wordt beloond. De clicker gaat uit van dit principe. 
In de grafiek zien we hoe het gedrag van de hond eerst zal toenemen, maar na verloop van tijd als de frustratiedrempel is bereikt zal afnemen. In het gebied tussen het ontstaan van de frustratie en het bereiken van de frustratiedrempel is de hond optimaal leerbaar en kan alternatief gedrag aangeboden worden. Ga je over de drempel heen, door bijvoorbeeld te lang te wachten (tijd), dan neemt het gedrag van de hond af en zal het langzaam uitdoven.
Heb je bijvoorbeeld een hond die tegen je opspring om aandacht te krijgen? Negeer de hond dan volledig. In eerste instantie zal het gedrag toenemen! De hond zal dus ook even veel fanatieker om aandacht vragen uit frustratie. Hij zal meer springen, keffen en verzin het maar. Op dit moment is de hond gefrustreerd en staat enorm open voor nieuwe leerervaringen: hoe kan ik wél voor elkaar krijgen wat ik graag wil? Zodra de hond eventjes 'rustig' op de grond gaat zitten om iets nieuws te verzinnen, beloon je hem! De hond heeft het al snel door: "O, door rustig op de grond te zitten krijg ik aandacht!"
Bovenstaande verklaart daarmee ook, waarom gedrag dat een hond heeft aangeleerd en dat we hem graag willen afleren, eerst in hevigheid toeneemt wanneer we dit gedrag niet meer belonen. Pas als we het gedrag helemaal negeren, zal het verdwijnen. Vanuit de versterkingsprincipes is verder bekend dat het gedrag sneller zal verdwijnen, wanneer we het voordien consequent hebben beloond. Zijn we voorheen inconsequent geweest, dan zal het langer duren voor het gedrag uitdooft en verdwijnt. Belonen we de hond in de periode van afname van het gedrag tóch weer een keer, dan wordt dit gezien als een interval (verhouding) beloning en neemt het gedrag vervolgens weer des te sterker toe.

Andere vormen van leren
We noemden al in eerdere artikelen dat naast klassieke en operante conditionering er 'andere' vormen van leren ontdekt zijn. De belangrijkste andere vormen zijn:

habituatie
Habituatie is een moeilijk woord voor 'gewenning'. Gewenning maakt dat een individu (mens/hond) niet meer op elke prikkel hoeft te reageren, of dat een individu minder heftig reageert. Een voorbeeld hiervan bij mensen is het wonen naast een spoor. In het begin zul je bijna elke trein langs horen denderen, maar na verloop van tijd merk je ze minder op tot je ze tenslotte eigenlijk niet meer hoort. Een voorbeeld bij honden is het wennen aan geluiden. Aanvankelijk zullen ze hier mogelijk vrij heftig op reageren, maar naarmate het geluid vaker voorkomt zal de reactie minder heftig worden en uiteindelijk kijkt de hond niet eens meer op bij het geluid. Habituatie wordt ook wel verklaard als het generalisatieprincipe van de klassieke conditionering en wordt dus niet altijd als aparte vorm gezien. 
observerend leren (imitatie)
Bij observerend leren kijkt een individu naar een ander, de ander wordt dus 'geobserveerd'. Gekeken wordt naar reacties van anderen en naar de gevolgen van gedragingen voor die ander. Een kind ziet bijvoorbeeld dat een ander kind iets lekkers krijgt voor bepaald gedrag. Het kind wil ook lekkers en gaat nu ook dat gedrag laten zien. Zo kan het zijn dat een hond andere honden ziet spelen en plezier ziet hebben en dat hij dezelfde gedragingen gaat laten zien.
Deze vorm van leren kent verscheidene namen. Zo spreekt men dus over imitatieleren, omdat het ene individu iets imiteert van het andere individu. Een andere benaming voor deze vorm van leren is 'sociaal leren' omdat het een vorm van leren is die alleen voorkomt in een sociale context. Bij honden spreken we meestal over 'nadoen' of 'meedoen'. 
Geheugen
Ter afsluiting van dit artikel nog kort aandacht voor het geheugen. Geleerde zaken worden immers opgeslagen in het geheugen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen het korte termijn geheugen en het lange termijn geheugen.

korte termijn geheugen
Het korte termijn geheugen is het onmiddellijke geheugen binnen een cognitief systeem (= verstandelijk systeem, systeem van kennis).Hier is de informatie terwijl deze wordt gebruikt in de praktijk. Daarom wordt het korte termijn geheugen ook wel het 'werkgeheugen' genoemd. Het korte termijn geheugen is van grote invloed op leren en verwerken van informatie, omdat het maar een beperkte capaciteit heeft. Informatie waarmee iets moet worden gedaan in het geheugen, moet daarom steeds worden herhaald. Wordt informatie niet binnen enkele seconden herhaald, dan gaat het verloren tijdens de bewerking in het korte termijn geheugen.
Deze beperkte capaciteit van het werkgeheugen maakt ook dat bekrachtiging en straf binnen enkele seconden moeten plaatsvinden, anders worden ze niet met de bedoelde informatie in het werkgeheugen gekoppeld. 
lange termijn geheugen
Wanneer informatie middels herhaling is bewerkt in het korte termijn geheugen of wanneer het is gekoppeld aan zinvolle andere informatie, kan het worden opgeslagen in het lange termijn geheugen. Vanuit het lange termijn geheugen kan informatie op een later tijdstip weer worden opgeroepen en bewerkt/gebruikt in het korte termijn geheugen. 
Afsluitend de opmerking dat aan te leren zaken het best worden opgeslagen in het geheugen en dus geleerd, door zoveel mogelijk zintuiglijke kanalen te gebruiken (zien, horen, voelen, ruiken). Kortom: Vooral leren door te doen!